4 december 2019


Namibië, 3 december 2019

We zijn aan de kust van Namibië en zoals verwacht is het koud, winderig en bewolkt, en, wat genieten we daarvan. We hebben een wandeling langs de kust gemaakt, midden op de dag, zonder dat het te warm was. Integendeel, we hebben een vest aangetrokken. Later op de middag breekt de zon door en heb ik in het zonnetje gezeten. Dat is al maanden niet meer mogelijk om zomaar in de zon te zitten, heerlijk.

Hoe zijn we hier gekomen?
Na Ethosha rijden we via wat tussenstops naar Twijfelfontein. We nemen wat rust, doen een wasje, halen het ergste stof uit de bus. Maar lang duurt het niet voordat de bus er weer uitziet als altijd, heel stoffig.
Twijfelfontein ligt in een gebied met grote steenhopen die uit de vlakke zandvlakte oprijzen. Een prachtig gebied, zeker met zonsopgang en zonsondergang.
We gaan naar rotsgraveringen kijken, waarvan niet helemaal duidelijk is hoe oud ze zijn, maar worden op 2000-6000 jaar oud geschat. Rotsgraveringen zijn schijnbaar moeilijk te dateren omdat er geen materiaal is om dat te bepalen, anders dan de rots zelf. Bij rotstekeningen kunnen ze het verfmateriaal dateren.

Na Twijfelfontein rijden we verder naar Uis/Brandberg. Brandberg is een bergmassief, met een aantal pieken, waarvan de hoogste ruim 2500 meter is, de hoogste berg van Namibië. Het rijst op uit een zand-grindplateau op ca. 700 meter, als één groot massief. We rijden een dag rond de berg, hobbelend over paadjes. De berg op mag alleen met een permit en een gids. Maar, ook hier is het erg heet, zou er niet aan moeten denken om een berg op te lopen in die hitte en sterke zonkracht.
Op de campings is het stil als altijd, we zijn bijna altijd de enige kampeerders. Maar in Uis komt opeens een grote truck met allemaal blanke toeristen het terrein oprijden en zet het vol met kleine tentjes.
Je ziet die trucks meer, als je googlet op de organisatie zie je dat de meeste tours aanbieden van 2 maanden door zuidelijk Afrika, van Livingstone naar Kaapstad of zelfs Nairobi naar Kaapstad, voor zo’n EUR 3.000. Op zich geen gekke deal als je geen eigen vervoer hebt, je toch veel wilt zien, zonder altijd op zoek te zijn naar openbaar vervoer.
Maar de meeste toeristen zie je met een gehuurde Toyota Hilux met 1 of 2 daktenten. Andere buitenlandse auto’s hebben we niet meer gezien na Zambia.

Inmiddels is het ook veel langer licht. In Zuid-Afrika, Mozambique en Malawi was het om half zes, zes uur stikkedonker. Als je kampeert is dat lastig. Je moet zorgen dat je niet te laat bij een camping aankomt (want je wilt nooit in het donker rijden). Dan wil je eigenlijk al het ‘werk’ nog wel bij daglicht doen, eten maken, afwassen, watertank bijvullen e.d. Maar omdat we nu steeds zuidelijker en westelijker rijden en omdat we steeds dichter bij de langste dag op het zuidelijk halfrond komen, is het inmiddels licht tot half 8. Dat maakt het campingleven een stuk makkelijker en je kan na het eten zelfs nog van een wandeling bij zonsondergang genieten.
En, omdat het nu zo fris is, is het ook lekker om gewoon weer even te koken.

Namibië. Het is een leeg land, de bevolkingsdichtheid is heel laag (3 inwoners per vierkante kilometer ten opzichte van Nederland 411 inwoners per vierkante kilometer) en het landschap is weids. De weg naar de kust is een woestijnvlakte met hier en daar een paar struikjes. De hoofdwegen zijn voornamelijk niet geasfalteerd, erg breed en vaak heel erg als golfplaat. Daardoor gaan mensen naast de weg rijden en als daar ook weer golfplaateffect ontstaat, gaan ze daar weer naast rijden, waardoor de weg vaak meer op een piste lijkt.
Er zijn weinig auto’s, als je op 100 km 5-10 tegenliggers hebt is het veel. Maar die auto’s rijden erg hard op deze golfplaatwegen, want dan heb je er minder last van. Maar je hebt ook zo weinig grip op de weg dat je niet kan remmen. De maximum snelheid is op deze wegen vastgesteld op 100 of 120!
Wij kunnen al helemaal niet zo hard want wij rammelen dan echt uitelkaar, van de  week was er een tonicblikje lek gegaan in de voorraadla. Die had zo lang staan dansen naast een ander blikje dat het opengeschuurd was en gaan lekken. En een melkpak dat de hele tijd staat te dansen gaat ook lek, hebben we gemerkt.

Het land doet heel Zuid-Afrikaans aan. Als mensen niet van dezelfde stam zijn en dus niet dezelfde taal spreken, dan spreken ze Afrikaans met elkaar. In elk klein dorp hoor je mensen Afrikaans spreken. We verbazen ons dus ook weer over de woorden, bijv. een verrekijker zijn loerpyppies.
En op een handwerkwinkel hier in Henties Bay waar we even de was in een wasmachine stoppen, staat: Vir Die Skeppende Vroue.

We zijn hier om naar de zeehonden te kijken. Er zijn er hier naar schatting zo’n 180.000! Veel op de eilanden voor de kust, maar ook veel op de kust hier. In deze tijd van het jaar worden de jongen geboren. We zijn naar de Seal Reserve gegaan en hebben veel geboorten gezien en veel zien misgaan. Er liggen veel dode pups. Soms zie je een jong hobbelen met de hele nageboorte nog achter zich aan. En het is een lawaai van al die schreeuwende zeehonden en de stank van geboorte en dood is overweldigend. Maar het is ook een prachtig gezicht, zo’n grote kolonie zeehonden, je kunt je er geen voorstelling bij maken. Maar daarom hebben we de foto’s. Geniet ervan.

















26 november 2019


Namibië, 26 november 2019

We zijn dus inmiddels in Namibië, wel één van de hoofdbestemmingen van deze reis. We hebben 90 dagenstempel gekregen in ons paspoort en al gaan we dat niet helemaal opmaken, we hebben wel gepland om de Kerst in Namibië te zijn. Dat is gelijk ook ons dilemma. We plannen wel, maar dat is heel globaal. Wel wat we willen zien, maar op welk moment we daar dan zijn, dat ligt niet vast. Maar de grote zomervakantie voor Zuid-Afrika begint half december tot half januari en Zuid-Afrikanen zijn nogal outdoor-mensen, dus die reizen massaal af naar campings in Namibië en Zuid-Afrika. Er wordt dan ook geadviseerd om al je accommodatie (ook campings) ruim van tevoren te boeken. En dat is een probleem, want wij kunnen niet zo strak plannen. Voorlopig plannen we dus maar week voor week en proberen dan campings te reserveren die van de Namibian Wildlife Reserves zijn.

De grensovergang van Botswana naar Namibië was een eitje. We rijden het grensterrein van Botswana op; parkeerplaats helemaal leeg en geen fixers. We gaan naar het immigratieloket om een exitstempel in ons paspoort te halen, maar zonder goedemorgen of andere begroeting wordt ons gecommandeerd dat we een formulier moeten invullen, dat op een tafeltje achter ons ligt. Daarna krijgen we een exitstempel. Ook het Carnet de Passage wordt weer vlot afgestempeld en klaar zijn we aan de Botswanakant.

Daarna rijden we naar de Namibische kant, ook geen andere auto op het parkeerterrein. Binnen zijn er 3 loketten naast elkaar. De eerste voor immigratie: stempel in ons paspoort en mogen tot 18 februari 2019 blijven, dat was nog wel even een foutje, moet 2020 zijn. Bij het 2e loket wordt ons Carnet de Passage soepel afgestempeld. En bij het 3e loket moet je roadtax betalen. Dat was nog wel even lastig, want je betaalt aan de hand van het gewicht van de auto. Dat doen ze hier niet fysiek maar op basis van het kentekenbewijs. En daar begrijpt  hij helemaal niets van. Het gewicht van de bus staat er wel op, 3030 kg, maar ook het maximale gewicht, 3500 kg en het technische maximale gewicht 4600 kg. En ons kentekenbewijs is alleen in het Nederlands. Daar kan hij niet over uit, dat het er niet ook in het Engels staat. Hij wil ons gelijk voor het zwaarste gewicht op het kentekenbewijs aanslaan, maar daar gaan we niet mee akkoord. De bus weegt geen 4600 kg, maar 3030 kg. Nou ja, dat  kunnen wij wel zeggen, maar waar blijkt dat uit? Nogmaals uitgelegd hoe het zit, maar hij blijft er ongelovig naar kijken en z’n hoofd schudden. Uiteindelijk gaat hij akkoord met het gewicht van 3030 kg, maar blijft mopperen dat dat ook in het Engels op het registratie/kentekenbewijs moet staan. Op zich heeft hij zeker een punt, maar ja, wij kunnen er ook niets aan doen. Ook als we even met elkaar een paar woorden wisselen, wil hij dat we alleen tegen hem praten en niet tegen elkaar.
Er is geen ATM bij deze grenspost en we hebben nog geen Namibische Dallars. Gelukkig is de Namibische Dollar 1 op 1 gekoppeld aan de Zuid-Afrikaans Rand en dus mogen we ook met Rand betalen. Die hebben we nog zat, dus dat is dan ook weer opgelost.

Even later komen er 2 Nederlandse jongens binnen, die ook roadtax moeten betalen. We hebben deze jongens de avond ervoor op de camping ontmoet. We maken een praatje. Zij hebben geen Rands of Namibische dollars en we wisselen wat Euro’s voor Rands voor hun. De roadtaxofficer vindt dit zeer storend, ze mogen niet meer met ons praten. Die roadtaxjongen moet nog wat loskomen denk ik.

Is de regentijd inmiddels begonnen? Nog niet echt, maar het regent wel af en toe. Early rains noemen ze het, nog niet regentijd. Op de camping in de Okavango Delta, een paar dagen geleden, begon het verschrikkelijk te stormen en onweren in de verte. Het heeft de hele avond gestormd, maar er is heel weinig regen gevallen. En nu al weer een paar dagen helemaal geen wolkje.
Dat betekent dan ook dat het niet afkoelt. Het is elke dag tegen de 40-42 graden en dat is heel, heel warm. Gelukkig zijn de avonden niet zo warm meer en als we naar bed gaan is het binnen meestal een redelijke 30 graden. Nou is het inderdaad heel warm, maar het is ook wel een hele droge warmte, die beter te verdragen is dan een lagere temperatuur met een hogere luchtvochtigheid. Ik zag op een weathersite dat de luchtvochtigheid hier 27% is. Dat lijkt me erg laag, maar heb zelf geen hygrometer bij me.
Maar af en toe zijn we de warmte wel zat. Je energie is beperkt en als je wat doet, dan is het al heel snel veel te warm. Het eten is ook wel moeilijk. Wie gaat er staan koken in zulke warmte, binnen of buiten maakt niet uit. En we hebben ook niet veel trek, dus is het al snel goed. Veel salade, dat wel. Gelukkig kan je hier bijna overal ijsbergsla, komkommer, tomaat, tonijn, feta e.d. krijgen, zodat we nog wat variatie kunnen aanbrengen.

We zijn in Etosha NP, ook weer een natuurgebied rondom een hele grote zoutpan. Het is een bekend park, met dus ook relatief veel toeristen, maar het komt niet in de buurt van de hoeveelheid mensen die je in een groot park als Kruger ziet, terwijl het toch ongeveer even groot is. Het staat niet bekend om de hoeveelheid dieren die er zijn, maar we  hebben er heel veel gezien. Ook hele bijzondere tafereeltjes, kijk maar naar de foto’s.
Bij het eerste waterhole waar we waren, was een groep hyena’s een karkas aan het afkluiven. Een paar jakhalzen wilden ook een deel, probeerden telkens een beetje stiekem onder de hyena’s door wat vlees van het karkas af te trekken, maar worden iedere keer met een grauw verjaagd.
Later, bij een waterhole, stond de vlakte vol met zebra en wildebeest (gnoe), met veel impala en springbok ertussen en op de achtergrond nog een groep gemsbokken en kudu. Een vlakte zo vol dat je het kunt vergelijken met Serengeti’s ‘migration of the wildebeest’. Verder nog een eenzame neushoorn op de zoutvlakte en eentje die een half bad had genomen. Heel veel giraffes, wat olifanten, veel struisvogels.  Het komt ook omdat het echt droogste tijd van het jaar is en er nergens anders water is dan in de waterholes. Als je daar gaat staan trekt het dierenleven aan je voorbij.

Opvallend is ook zoveel leeuwen als we gezien hebben, eerst een leeuwin met drie welpjes bij een waterpunt. Wel bijzonder dat de leeuwin geen staart had, de welpjes renden wat om haar heen, speelden met elkaar, maar dronken nog niet uit het waterpunt; de leeuwin wel. Mogelijk worden ze nog gezoogd. En langs de weg drie leeuwinnen die een gemsbok hebben omgelegd en daar zo van genieten, dat één wel haar kop in het karkas heeft, maar daar alleen een beetje ligt te soezen. Er liggen 4 welpjes bij, die op apegapen liggen, mogelijk hebben ze ook al wat mogen eten.
Ook af en toe een leeuw die langs de kant van de weg in de bosjes ligt.
Bij een waterhole lagen 2 leeuwinnen en een jonge leeuw. De leeuw springt op en gaat achter een nietsvermoedende giraffe aan, die zet het op een lopen en wint uiteindelijk. Ook daar hebben we foto’s van. En John wilde nog een keer stoppen om een mooie landschapsfoto te maken. Ik kijk toevallig de andere kant op en daar liggen 2 leeuwen. John roept, oh f…. en dat was het ook, zie de foto.

Ook nog een dode olifant, waar de jakhalzen mee bezig waren. Jakhalzen zijn niet zo groot en een olifant wel, dus ze lopen in z’n geheel naar binnen, eten daar hun deel en komen dan weer naar buiten. Lopen af en toe naar het waterpunt om wat te drinken en gaan weer bij de olifant naar binnen. En jong, klein jakhalsje stak z’n hele voorste deel van z’n lijf via de achteropening van de olifant naar binnen. Is misschien ook wel veel lekkers te halen, je weet niet wat ze lekker vinden.
En op de voorgrond lagen nog wat delen van een giraffe, maar dat was al veel ouder en werd niet meer bezocht.

En vandaag bij het laatste waterhole, bijna geen dieren, opeens zie ik een honeybadger aankomen. John is niet onder de indruk, denkt dat het gewoon een mongoose is, maar ik heb de honeybadger nog niet eerder gezien. Hij is mooi, maar gaat door de modder liggen rollen en daarna door het zand. Tja, dan blijft er ook van een mooie honeybadger niet veel meer over.
Prachtig, prachtig, maar dat kan je wel op de foto’s zien.

We zijn inmiddels Etosha uit, in 6 dagen van oost naar west er doorheen gegaan. We staan nu op een camping en het onweert heel hard en het regent ook wat. Dat zal lekker opfrissen (hopen we).





















17 november 2019


Botswana, 17 november 2019

We zijn in Botswana, maar het was geen warm welkom. Aan de Zambiakant verwachtten we dat het chaotisch zou verlopen, maar het was heel eenvoudig: immigration voor exitstempel in je paspoort, naar customs voor het afstempelen van het Carnet de Passage. En naar het ferryboekingskantoor voor een kaartje voor de ferry. Vervolgens konden we zo de ferry oprijden. Er past precies één vrachtwagen op, maar dan is ernaast nog ruimte voor een paar auto’s achter elkaar. De brug in aanbouw ziet er mooi uit; moet volgend jaar klaar zijn, maar de aanvoerwegen zijn nog in een rudimentair stadium.
We rijden de ferry af, verwachten ook een soepele inreis in Botswana. Zuidelijk Afrika kampt met mond- en klauwzeer en bij verschillende parken of campings op een boerderij moet je door een chloorbad rijden en ook lopen. In het kader daarvan had ik gelezen dat je ook geen melkproducten mag invoeren in Botswana. We hadden dus alle melk (gewoon Parmalat, ze verkopen wrs dezelfde melk in Botswana), de yoghurt en kaas verstopt tussen de kleding.

We komen bij het  immigratieloket en worden zuchtend behandeld. De dame moet weten waar we naar toe gaan, in Kasane en Maun naar welke lodge of camping. Ik noem een naam maar ze schampert dat dat niet bestaat en dus moet ik m’n iPad halen om van iOverlander een campingnaam te geven. Ze zit ondertussen onderuitgezakt op haar telefoon te kijken en weigert daarna nog contact met ons te maken. Ik kan haar wel door het luikje trekken, maar … , ik doe het niet. 
Uiteindelijk krijgen we een stempel, wel gratis. We gaan naar het loket ernaast, customs,  voor het Carnet de Passage. Een stugge man, maar hij doet het snel en correct. OK, dat is ook klaar, nu nog roadtax en carbontax. De man van customs zegt dat de weegbrug kapot is en dat we daarop moeten wachten, want het gaat op gewicht. Het gewicht van het kentekenbewijs geldt niet, het moet ter plekke worden vastgesteld. De weegbrug wordt gerepareerd, maar duurt in ieder geval nog 4 uur, maar meer waarschijnlijk 6 uur en mogelijk pas morgen…
Wat nu, er zitten al wat mensen te wachten. We zien de customsofficer even later buiten staan en bespreken de situatie. Hij zegt dat het onzin is om te wachten, want er vraagt toch nooit iemand naar die papieren. We dubben wat, maar besluiten om maar gewoon weg te rijden. We hebben de belangrijkste acties achter de rug: immigratie en het Carnet. Als we weg willen rijden springt er een dame op die buiten achter een bureautje zit en denk ik de hele discussie heeft gehoord, en vraagt of we roadtax hebben betaald. Nee, dat hebben we niet. Ik moet meekomen en in een kantoortje staat ze heftig te discussiëren met de man van de customs. Na een kwartiertje komt ze naar buiten en zegt mokkig dat we mogen gaan, zonder roadtax betaald te hebben.

Een paar kilometer later halen we de melk, yoghurt en kaas tussen de (schone) onderbroeken vandaan en zetten het weer in de koelkast. We rijden een paar kilometer verder door Kasane, zien politie met een lasersnelheidsmeter en de agente duikt bijna voor onze auto. We reden 71 km/u. Dat is weliswaar heel erg onmogelijk, midden in een stad. Maar we moeten betalen.
We hebben dit eerder gehad, in Mozambique, toen reden we ook zogenaamd 71 op een weg waar je 60 mag. Ook totale onzin, want we letten er juist op en ook toen wisten we dat we 60 moesten en reden zeker niet harder. 71 km/u is kennelijk het magische getal om toeristen een poot uit te trekken Destijds hebben we het af kunnen maken met een ‘donatie’, maar nu moeten we op het politiebureau gaan betalen. We hebben nog geen Pula’s, want er was geen ATM bij de grens. We mogen eerst gaan pinnen en dan op het politiebureau betalen. Wat een gezeik.
Een warm welkom in Botswana is het allemaal niet.

Het is ook een beetje de sfeer die we verder tegenkomen. Bij de receptie op een camping of bij een gate van een National Park. Er kan geen glimlachje vanaf, correct, maar stug en bijna onvriendelijk.

Maar we rijden naar een camping aan de rand van Chobe. Een Australisch stel is daar een jaar of 10 geleden begonnen met een lodge en camping op te bouwen, heel kleinschalig. Buiten het hek is een  waterhole, waarop je van het deck/terras uitzicht hebt. In de avond komen er eerst een paar hippo’s en vervolgens olifanten en olifanten en olifanten. De hippo’s gaan er vandoor, hippo’s houden niet van olifanten. Later op de avond komen ook nog buffelo’s bij de waterhole drinken. En het gebeurt allemaal op een 20 meter afstand. Prachtig.

Daarna door Chobe. De weg houdt op en wordt een diep zandpad. We ploegen ons erdoor en overnachten in Savuti, in het park en daarom wel wat prijzig (50 USD per persoon per nacht). De camping heeft geen hek en ’s nachts staan de olifanten naast de bus te vreten van de struiken en olifanten zijn niet zachtzinnig.
De regentijd is nog niet echt begonnen, maar wel is er af en toe een lokale bui. Ook in Chobe heeft het al een keer geregend, een week geleden. Hierdoor begint het mopanebos uit te lopen en wordt alles heel fragiel groen.
In het volgende deel van Chobe kiezen we voor een track dat wat meer door open gebied loopt en we zien olifanten en heel veel buffelo, wat sabelantilopen, tsessebe en impala natuurlijk.  En om een flauwe bocht zien we plotseling een olifant op het pad liggen, dood,  al een paar dagen waarschijnlijk, want hij stinkt heel erg. Wij zien hem op de rug, maar als we door de struiken om hem heen rijden, zien we dat zijn ingewanden allemaal opgevreten zijn en dat alleen zijn huid en skelet er nog liggen, met slagtanden overigens.
Een hele mooie tocht door dat open grasland dat goudgeel of roodbruin is. Bij het volgende checkpoint informeren we de ranger over de dode olifant op het pad.

We moeten doorrijden naar Maun omdat daar het eerst volgende benzinestation is. De laatste was nog vóór de eerste camping en ondanks de extra jerrycans, kunnen we niet veel omwegen maken.
En het is zo warm, overdag 39-40 graden. We zeggen net tegen elkaar, zullen we maar gewoon naar de kust van Namibië rijden, bij Swakopmund, daar is het nu 19-20 graden, afkoelen. Maar dan is het een paar dagen bewolkt en een stuk koeler. Nou ja een stuk, het is zo’n 35 graden, maar dat is toch al een flink verschil, ook omdat de zon niet schijnt.

Na Maun gaan we naar Central Kalahari NP. We maken onderweg een wildkamp omdat we de camping in het park niet meer gaan halen.
Central Kalahari is geen gebied met heel veel dieren, maar is vooral mooi door de (zout)pannen en de leegte van het landschap. Het is een gebied dat niet heel veel wordt bezocht. Botswana is vooral een safaribestemming voor Chobe, Moremi en Okavangodelta.
Maar we hebben in Central Kalahari toch wel wat dieren gezien die we niet eerder hadden gezien, vooral veel gemsbokken, maar ook jakhalzen, mooie slanke ‘honden’ met een spitse snuit en grote oren. En verder veel stokstaartjes, ook heel erg leuk.
Er zijn geen echte campings in de Central Kalahari, maar zogenoemde ‘bushsites’, aangewezen gebieden waar je mag kamperen. Er zijn geen faciliteiten, geen water, niets.
Als we de laatste nacht een ‘bushsite’ oprijden, staat er een grote giraffe. Die schrikt zich rot van ons, blijft stokstijf staan en verroert zich een half uur lang helemaal niet. Na een half uur krijgt hij wat stijve poten denk ik, want hij begint voorzichtig zijn voorpoten wat los te gooien en te verplaatsen. Maar hij durft zich verder nog niet te verroeren. Hij heeft zijn hoofd in de takken van een boom gestopt en denkt misschien dat hij daarmee niet meer zichtbaar is.
Het wordt donker, een prachtige zonsondergang, maar de giraffe is er nog. Hij heeft zich voorzichtig verplaatst achter een andere boom. Pas uren later zien we hem niet meer. Arm beest, is zich helemaal rotgeschrokken van ons.

We rijden weer terug naar Maun, doen boodschappen, halen geld, eten een ijsje en gaan naar de camping.
Morgen richting Namibië, via Caprivi strip naar Ethosha. Voor de temperatuur zal het nog niets uitmaken, want ook Ethosha is nog erg, erg heet.

Overigens hebben we nog even de slang op internet opgezocht, die in Lower Zambezi in mijn stoel was gevallen. Het is de Twig Snake of Southern Vine Snake; hij is vrij zeldzaam,  geen snelle bijter, maar wel zeer, zeer giftig zonder dat er een antigif tegen bestaat.
We letten voortaan wat beter op vallende takjes.